De tekst van dit item is een combinatie van twee artikels geschreven door Mathieu Schuurmans van de geschied- en heemkundige kring De Goede Stede Hamont. Mathieu heeft veel oude gichten getranscibeerd en becommentarieerd. Van zijn hand zijn er heel wat artikels over families in die vroege periode in de “Grevenbroeker Echo’s” gepubliceerd. De tekst werd ter verduidelijking verder aangevuld met parentelen.
De eerste generatie
De eerste vermelding van de naam Laukens vonden we terug in 1470. Het betreft hier Herman Laukens. In een akte van dat jaar (G20, f10r) leende Jan dye Scout met zijn huisvrouw en zijn twee zonen, Jan en Korstiaen 20 philipsschilden van Herman Laukens. Dit was een groot bedrag daar het om gouden munten ging. Als tegenprestatie mocht Laurens 9 vaten rogge korten op zijn huishuur per jaar. Als de schout binnen 4 jaar het bedrag terug zou geven mocht Herman het huis nog 4 jaar blijven huren. Indien echter de schout dit bedrag niet binnen 4 jaar terug gegeven had moest Herman gratis blijven wonen in het huis totdat hij zijn geld terug had. Uit dit alles kan men opmaken dat Herman geen eigen woning had in Achel. Wel huurde hij een goede woning van de schout. Vermoedelijk was hij niet afkomstig van Achel.


Deze vermelding van Herman is de enige die we terugvonden in de gichten. Wel vonden we nog de vermelding van een zuster van hem, nl. Katharina. Hiervan vonden we zelfs drie vermeldingen. In 1479 leende Peter Inlijns 13 zilveren Philipsgulden van haar. Hierbij stond vermeld dat zij afkomstig was van Lille. In 1480 leende Jan Zeskens bij haar een bedrag met een jaarlijkse rente van 1 malder rogge. Als onderpand zette hij een stuk land gelegen te Achel en een herberg gelegen in het dorp van Achel. Hetzelfde jaar leende Jan Zeskens nog eens 13 schilden bij Katharina met een jaarlijkse rente van 1 mud rogge.
Hieruit kunnen we aannemen dat Katharina en haar broer Herman beide afkomstig waren uit Lille en over een goed kapitaal beschikten. Het vermoeden bestaat dat Herman reeds te Achel een herberg uitbaatte, die eigendom was van de schout. Na 1470 werd geen vermelding van hem meer gevonden.
Met wie Herman gehuwd was is niet achterhaald. Wel zijn drie van zijn kinderen gekend, nl. Lijsken, Helena en Laurens. Zij vormen de volgende generatie.

De tweede generatie
De dochter Lijsken betaalde in 1508 haar intrede geld tot het Illustre Lieve Vrouwe Broederschap in Den Bosch. Zij staat er vermeld als “Lijsken Hermen Laukens dochter in Achel”. Voor haar intrede betaalde ze 4 stuivers en 1 oort. In 1534 moest er nog een achterstallig intrede geld betaald worden op haar naam. Vermoedelijk was zij zuster in het klooster te Achel daar rond die zelfde tijd verschillende andere zusters uit het Achels klooster hun intrede geld betalen.
Een andere dochter, Helena werd vermeld in de gichten in een akte van 1494. Hier staat “Helen, dochter van Herman Laukens”. Zij kwiteert de panden van Nijs Gubbels van een rente van 1 mud rogge. In de huwelijksovereenkomst van Peter Bruynincx en Geertruydt Scosters worden een aantal rentes vermeld waaronder een rente van 1 mud rogge jaarlijks aan Lijn Laukens met een waarde van 21 rijksguldens. Dit zijn de enige vermeldingen van haar.
De zoon, Laurens, wordt meermaals vermeld. Hij wordt ofwel “Hermans”, “Laukens” of “Herman Laukens zoon” genoemd. De eerste vermelding van hem vinden we reeds in 1470. In dat jaar belooft Dirk Seskens aan Vreys Hermans een mud rogge jaarlijks. In 1472 lenen Theeus en zijn vrouw Agnes een malder rogge jaarlijks van Laurens Laukens. In de “Charters van Achel” wordt Laurens genoemd in een akte uit 1480. Hierin staat hij vermeld als “Laurens Hermani, hospes in Achel”. Dit wil zeggen dat hij op dat moment herbergier is te Achel. Van latere generaties Laukens is geweten dat zij de herberg “De Prinsch van Luyck” uitbaatten. Zou dit hier om dezelfde herberg gaan? In 1485 scheldt Jan vanden Laer Laurens Hermanssoen het onderpand dat Laurens had op de goederen van Jacob Haechmans kwijt.

Bron: Charters van Achel (folio 160)
Met wie Laurens Hermans gehuwd was staat nergens vermeld. Wel kennen we twee kinderen uit zijn huwelijk, nl. Laurens en Gijs. Zij vormen de derde generatie. In 1504 laat hij een huwelijksvoorwaarde opstellen betreffende zijn zoon. In 1505 verkoopt Jan Heyrmers een rente van 3 schilden jaarlijks aan drossaard Herman Tybouts. Deze rente stond op de panden van Laurens Hermans, namelijk op een beemd, liggende te Achel.
Laurens Hermans moet al redelijk welstellend zijn geweest daar hij in de huwelijksvoorwaarde van 1504 zijn zoon 3 mud rogge jaarlijks schenkt en hierbij nog een koe, 10 schapen en een bedstede met alle toebehoren. Ook belooft hij zijn andere kinderen, bij hun huwelijk, voor dezelfde waarde goederen te schenken. De huwelijksvoorwaarden vormen de startvan een hypotheek, die pas honderd jaar later zal worden afgelost: zie Aflossing van een honderd jarige hypotheek, staande op de Laukens panden 1603.
De laatste vermelding van Laurens Hermans dateert uit 1512. In dat jaar leent hij aan Dirk Wouters 12 Hornse guldens voor een rente van 4 vat rogge jaarlijks. Ook leent hij nog aan Jan Huben 30 Hornse guldens voor een jaarrente van 10 vat rogge. Deze vaten rogge zouden zij nodig zijn geweest voor de herberg annex brouwerij van Laurens ?
De derde generatie
Zoon Laurens huwde rond circa 1504 met Jehenne, Peter Bruynincx (schepen van 1487 tot 1506) dochter. Zoals reeds vermeld werd ontving hij bij dit huwelijk jaarlijks 3 mud rogge, staande op de goederen van zijn vader, 1 koe, 10 schapen en een bedstede met toebehoren.
In 1506 huurt Vreys Laukens een schuur van Peter Rijsses. Deze schuur was afkomstig van Jan de molder alias Gijsen en lag op diens erf nabij het kerkhof. In 1509 gicht hij Jehenne Lijskens van Lille in 3 malder rogge, afkomstig uit de 3 mud rogge uit de huwelijksvoorwaarde voor een bedrag van 13 Hornse goudguldens. In 1516 gicht hij Gerit Scosters van Lille in 22 vat rogge jaarlijks en ontvangt hiervoor 100 Hornse guldens. Als onderpand zet hij het erf dat hij verkregen heeft na de dood van zijn schoonvader Peter Bruynincx.

De laatste vermelding van Laurens Vreys Hermans zoon dateert van 18 april 1520. Op die dag verkoopt hij de rente van 3 mud rogge, verkregen bij zijn huwelijk, aan de rentmeester van Grevenbroek, Jacob van Corthessem voor 78 gulden Brabants. Of hij kort daarop is overleden is niet gevonden. Van hem zijn echter ook geen kinderen bekend.
Het is via zijn broer Gijs Laukens dat de stamboom verder gaat. In 1519 verkoopt “jouffr.” Dieryck van Heer aan hem ten behoeve van zijn kinderen een beemd. Deze beemd was gelegen te Achel aan de Vliet, grenzend aan zijn eigen beemd en was genoemd “de groten Beemd”.

Ook hij verkoopt in 1522 een rente, staande op zijn vaders erf, van 1 Hornsegulden/ jaarlijkse aan de rentmeester Jacob van Corthessem. Deze rente kon afgelost worden met 18 Hornse guldens.
In 1525 verkoopt hij aan Adriaen Smolders, een erfmud rogge, staande op zijn panden voor 23 Hornse guldens. Hetzelfde jaar moet hij verschillende rentes nemen op zijn panden. Waarschijnlijk zat hij toen kort bij kas.
Reeds het jaar daarop in 1526 zien zijn kinderen Heylke, Lijsken, Willem, Adriaen en Maria af van de erfelijkheid, hun verstorven door de dood van Gijs en zijn huisvrouw Yken, ten voordele van hun zuster Lijnke . Dus in 1526 is Gijs overleden. Hij was dus gehuwd met een zekere Yken en had 6 kinderen. Boven de vijf hiervoor genoemd was er ook nog Lijnke (Cathlijn). Zij was gehuwd met Hendryck Custers. Deze kinderen vormen de volgende generatie.
De vierde generatie
Het zijn de kinderen van Gijs die de vierde generatie vormen. Willem en Maria worden alleen vernoemd in 1526, wanneer zij hun erfelijkheid verzaken ten voordele van hun zuster Lijnke.
De zoon Adriaen wordt naast de vermelding uit 1526 nog eens genoemd in 1532 als hij een mud rogge verkoopt die hij staan had op het erf van zijn zwager Hendrik Laukens alias Custers.
In 1522 hadden de andere twee zusters, Heyl en Lijsken reeds afgezien van de erfenis van hun moeder. Na de vermelding uit 1526 wordt Heyl nergens meer vermeld. Over Lijsken is echter meer gekend. Zij huwde met een zekere Gijs, die zich vanaf dan ook Laukens noemde. De eerste vermelding van hem dateert uit 1528 wanneer hij een rente afbetaald. De laatste vermelding van zijn vrouw Lijske Laukens dateert van 1530. In 1542 huwde Gijs opnieuw (met Anna Coppens) en is zijn eerste vrouw overleden. Het overlijden van Lijsken Laukens kan dus gesitueerd worden tussen deze twee datums. Uit hun huwelijk zijn echter twee kinderen gekend, nl. Merten en Korst Laukens. In 1546 erft Merten Laukens per testament een huis en hof te Hamont afkomstig van de priester Gijsbrecht Mewis. Aan zijn broer Korsten moet Merten 10 gl jaarlijks uitbetalen. Dit is meteen de laatste vermelding van Korst Laukens. Van zijn broer Merten zijn nog verschillende vermeldingen gevonden. Doch nadat hij de erfenis verkrijgt noemt hij zich niet meer Laukens doch Gijsbrechts. Ook zijn afstammelingen blijven deze naam dragen en wonen te Hamont.

Lijnke (Catharina/ Cathlijn) Laukens was gehuwd met Hendrick Custers of Costers. Na dit huwelijk wordt hij telkens Laukens genoemd in de gichten. Dat de man de naam van zijn vrouw overnam gebeurde vroeger dikwijls. De reden hiervoor was ofwel huwde hij in een rijkere en maatschappelijke hoger geplaatste familie of hij ging met zijn vrouw wonen op het ouderlijk huis van zijn vrouw. Zoals reeds vermeld nam ook Gijs de naam over van zijn vrouw. De eerste vermelding van Hendrik of Heyn Laukens dateert reeds van 1522. Toen was hij reeds gehuwd met Lijnke Laukens. Hij leende toen 50 Hornse gulden en stelt zijn erf en erfelijkheid, gelegen te Achel als borg. In 1526 leent hij nogmaals 40 Hornse guldens bij de rentmeester van Grevenbroek, Jacob van Cortesshem. Deze lening zal later nogmaals opduiken. In de periode tussen 1526 en 1529 leent hij nog verschillende bedragen. Vanaf dan gaat het hem blijkbaar financieel beter. In 1536 koopt hij van Geenken Pouwels een huis en hof, gelegen in Achel en grenzend aan de erven van Willem Verlinden en Geen Scosters. Dit huis was gelegen in het centrum van Achel. In 1538 verkoopt hij een goed te Achel aan Dieryck van Hoil, zijn zwager. Hierbij worden zijn twee kinderen vermeld, nl. Laurens (Vreys) en Peter. De laatste vermelding van zijn vrouw, Lijnke , dateert uit 1540. In maart 1540 heeft Lijnke een aantal koeien, ossen en schapen verkocht aan Heylke op Beverbeek. De prijs moet nog afgesproken worden met haar man Heyn Laukens.
Haar man, Heyn, overleefde zijn vrouw met verschillende jaren. Zo koopt hij in 1549 nog een kamp gelegen langs zijn eigen beemd. In dat zelfde jaar ontvangt hij samen met zijn zoon Laurens een rente van 12 gulden jaarlijks. De laatste vermelding van hem in de gichten dateert van 1552.
De vijfde generatie
Deze generatie wordt gevormd door de kinderen van Lijnke Laukens en haar man Heyn, nl Laurens en Peter.
Over Peter Laukens is weinig bekend. Hij wordt persoonlijk slechts tweemaal vermeld in de gichten. De eerste maal in 1538 als zijn vader Heyn, de erfelijkheid afkomstig van zijn vader Vaes Costers, verkoopt. Deze verkoop komt ten goede aan zijn twee kinderen Laurens en Peter. De tweede vermelding is uit 1548 als Peter zijn erfdeel, aangestorven door het overlijden van zijn moeder en zal aansterven na het overlijden van zijn vader, verkoopt aan zijn broer Laurens. Hieruit kan men opmaken dat zijn moeder, Lijnke rond 1548 overleden is en zijn vader nog leefde. Tevens blijkt hier ook uit de Laurens de oudste zoon is, daar hij het ouderlijke erf overneemt. Peter ontvangt hiervoor 200 gulden. Dit is de laatste persoonlijke vermelding van Peter in de gichten. Daar de gichten tussen 1555 en 1570 ontbreken hebben we uit die periode geen gegevens en na 1570 wordt hij niet meer vernoemd. Wel kennen we twee kinderen van hem, nl. Frans en Dieryck. Zie hierover hoofdstuk 16 “Zestiende en zeventiende eeuw”.
Over zijn broer Laurens is meer geweten. De eerste vermelding van hem dateert uit 1547, als hij een bedrag leent van Katrijn Preggen. Verder wordt hij nog vermeld in 1549 en 1554. Door het ontbreken van de gichten tussen 1555 en 1570 hebben we uit die periode geen gegevens. In deze periode heeft hij echter zijn financiële situatie flink kunnen verbeteren. In de periode 1571 – 1576 koopt hij verschillende goederen in het centrum van Achel. Zo koopt hij twee huizen met aangelag, verschillende akkers en andere erfelijkheden, zoals de “hoge Smeel”.
De meeste van deze goederen raken aan zijn erf en aan de erven van de familie Verlinden, die ook in het centrum van Achel woonden. Ook verkoopt hij verschillende stukken grond. Deze waren gelegen op verschillende plaatsen in Achel, zoals in de Siggert, in het Eind, in de Slipstraat en bij het Paardenkerkhof (= de Dorpsakker). Ook lost hij verschillende rentes af staande op zijn panden.
In de gichten wordt nergens zijn vrouw genoemd, doch uit een aantal opmerkingen kan men de naam van haar achterhalen. In 1578 wordt Laurens aangesteld als voogd van de kinderen van Jan Seskens zaliger omdat hij de oom is van deze kinderen. In 1582 verkoopt hij een rente staande op de panden van Peter Seskens zaliger. Deze was de vader van de reeds eerder genoemde Jan Seskens. Men kan dus er vanuit gaan dat hij gehuwd was met een dochter van Peter Seskens en zuster van Jan Seskens. Er zijn slechts twee dochters gekend van Peter Seskens, nl. Mary en Margriet. Daar de enigste dochter van Jan Laukens, zoon van Laurens Mary heet, doet vermoeden dat Laurens gehuwd was met Mary Seskens. Uit dit huwelijk zijn er drie kinderen gekend, nl. Jan, Hendryck en Jacob. Vermoedelijk is Laurens rond 1585 overleden. In dat jaar wordt tussen zijn zonen Jan en Henrick een akkoord gesloten over de verdeling van de erfenis. Hierbij wordt vermeld dat het derde broer, Jacob, zal blijven inwonen bij Hendrick Laukens. Ook de lasten op de erfenis zijn evenredig verdeeld. Zo kwiteren Wijnand Reynen, Peter Cornelis en Jan van de Laer in 1591 de panden van Laurens Laukens van de helft van een rente van 8 vaten rogge. Het is Jan Laukens die de kwijting ontvangt en de andere helft van de rente staat nu op de panden van Hendrick.

