Zoals we elders reeds vermeld hebben was de Achelse familie Laukens een bekende teutenfamilie. Maar wat waren nu precies die teuten?
Letterlijk in de marge van de tabellen van de volkstellingen van 1796, dus tijdens de Franse bezetting, in Overpelt, Hamont en Sint-Huibrechts-Lille, vonden we een beschrijving van het werk van de teuten. De opstellers van de tabellen vonden het om één of andere reden nuttig erop te wijzen dat een aantal mensen hun beroep in het buitenland gingen uitoefenen.

In Overpelt
“Merk op dat al diegenen die in deze tabel (= de volkstelling) worden genoemd als castreerder van paarden en varkens, ketellappers of textielhandelaars, én anderen, jaarlijks 4, 5 à 6 maanden of meer het dorp verlaten om hun brood te verdienen in het buitenland, door hun vak te beoefenen of (klein)handel te drijven. Meerderen onder hen zijn vandaag afwezig. Zonder hen zou onze gemeente niet kunnen overleven als gevolg van de onvruchtbaarheid van de landbouwgronden.”
In Hamont
“Daar er geen groot verschil is in de staat of het beroep van de personen vonden we het niet nodig om bedenkingen te formuleren over iedereen, maar in het algemeen, omdat men vaststelt in het aantal boeren en landbouwers dat er een zestigtal burgers zijn die genoodzaakt zijn de haard te verlaten voor acht à negen maanden per jaar om naar Holland te gaan, de ene als marktkramer, de andere als verkoper van ketels, en als snijder van paarden en varkens, de landbouwers bewerken hun land veelal met een os, enkelen met een paard, die allemaal met moeite kunnen leven, en wat de dagloners betreft is er een groot aantal die volledig verarmd zijn“


In Sint-Huibrechts-Lille
“… behalve die absent sijn in vrimde Lande sijn om hunne affeerens te doen”
Het valt op dat in de teksten de benaming “teut” nergens wordt gebruikt, en dat hoeft ook niet te verbazen. Volgens Mertens(1) is, zeker in de Limburgse Kempen, het woord “teut” slechts zeer sporadisch te vinden in de archieven. Meer – en vroeger – is het terug te vinden in de Brabantse rand van de teuten-regio, en misschien eerder als aanduiding van het kramersberoep.
Nog volgens Mertens staat het vast dat de teuten en de regio waar zij toe behoorden de benaming niet zelf bedacht hebben, en moet de benaming afkomstig zijn van de streken waar zij hun beroep uitoefenden. Men is er ook nog niet in geslaagd de herkomst van de benaming “teut” ondubbelzinnig te duiden. Jozef Mertens vermeldt in zijn uitvoerige studie liefst 14 (?) mogelijke verklaringen – de ene al fantasierijker dan de andere – die in de loop der jaren naar voren werden geschoven. Hij verwijst ook naar de samenhang met de Westfaalse “Tödden”(2). De benamingen “Tödden” en “teuten” klinken inderdaad verwant, maar het verband is voorlopig nog niet aangetoond.
Wat er ook van zij, het fenomeen “teut” moet ontstaan zijn in de zestiende eeuw in de Kempense dorpen gesitueerd aan weerszijden van de huidige Belgisch-Nederlandse grens in het noorden van de provincie Limburg. Het was oorspronkelijk een arme, dunbevolkte streek, waar – zoals vermeld in de teksten bij de volkstellingen – de schrale heide en zandgrond te weinig opbrachten om de grote families te voeden. Dit dwong de mensen er toe een ander bestaan te zoeken. Oorspronkelijk deden velen aan vervoer van de haven van Antwerpen naar Duitsland. Maar toen de haven na de val van Antwerpen in 1585 afgesloten werd, kwam dat vervoer tot stilstand. Om in hun broodwinning te blijven voorzien maakten sommige van deze vervoerders gebruik van de intussen opgedane kennis van de waren die zij vervoerden en van de vraag ernaar, van vreemde talen, van routes, en van plaatselijke geplogenheden om een eigen ambulante handel op te zetten.


(foto Herman Laukens)

(foto Herman Laukens)
Teuten waren dus handelaars, die vanuit hun dorp maandenlange tochten ondernamen om hun handel te bedrijven in Nederland, Duitsland, Denemarken, Frankrijk, Luxemburg … Zij waren het grootste gedeelte van het jaar van huis weg. Alleen tijdens de wintermaanden, rond de nieuwjaarsperiode van half december tot half februari kwamen de “buitengangers” thuis. Zij handelden in textiel, in aardewerk, verkochten en herstelden koperwaren, waren veesnijders (castreerders), of handelden in menselijk haar. Zij waren vaak georganiseerd in compagnieën, met eigen strikte regels en gewoonten. Voor hun veiligheid reisden zij in groep. In het buitenland beschikten zij vaak over magazijnen die ze als uitvalsbasis voor hun handel in de omgeving gebruikten
Men werd niet zomaar teut, maar moest een proefperiode doorlopen, zijn vakkennis bewijzen; eerlijkheid, werklust en handelsgeest waren belangrijk. De compagnieën bestonden vaak uit personen met onderlinge familiebanden. Op die manier werden echte familiefortuinen verzameld.
Volgens sommigen hanteerden de teuten onderling zelfs een eigen geheimtaal (een eigen Bargoens), maar dit wordt o.i. overtuigend tegengesproken door Jef Mertens, die dit Bargoens als een 19de eeuws verzinsel bestempelt. In ieder geval verklaarden enkele hoogbejaarde teuten in 1928 dat zij of hun vader nooit een geheimtaal gebruikt hadden:
“Als we in Holland niet verstaan wilden worden, spraken we ons dialect”.
Terecht merkt Mertens op dat het hanteren van een geheimtaal haaks stond op de eerlijkheid, openheid en vertrouwen, toch de kenmerken van de handel van de teuten!
Een met de teuten vergelijkbaar verschijnsel ontstond ook in Duitsland, en wel, maar niet uitsluitend, in de regio tussen Reine, Lingen en Osnabrück, in Westfalen. De handelaars werden daar dus Tödden genoemd. Zij trokken vanuit hun geboortedorp richting het rijke Nederland, maar ook naar Scandinavië, de Baltische Staten, ….
Dat “Tödden” en teuten onderling contacten onderhielden is niet bewezen. O.i. is het aannemelijk, zelfs waarschijnlijk, dat Tödden en teuten elkaar op hun reizen tegenkwamen en kennis maakten: hun routes kruisten mekaar. Hun afkomst (arme streek) en hun manier van werken (organisatie, lange uithuizigheid) hadden ze alvast gemeen.
De hardwerkende en spaarzame teuten verdienden meer dan gemiddeld en werden daardoor vooraanstaande burgers. Vaak bouwden zij een mooie grote woning in het centrum van het dorp, en kregen ze belangrijke functies in het bestuur ervan.
Sommige teuten en Tödden hebben via hun handel een commercieel imperium opgebouwd, en lagen daarmee aan de basis van multinationals als Unilever (ontstaan uit de handel in boter van van den Bergh en Jurgens) en C&A (Brenninckmeijer), Vroom en Dreesmann, Peek en Cloppenburg,…
Ongehuwde Teuten leerden op hun reizen wel eens hun partner kennen; mogelijk is dit een reden waarom sommigen zich later ergens in den vreemde vestigden. Mogelijk verklaart dit ook verschillende huwelijken van onze naamgenoten ver buiten hun eigen gemeenschap.
Dat het teutenberoep niet zonder gevaar was ligt voor de hand. Zij waren immers voortdurend met hun waardevolle koopwaar en belangrijke sommen geld onderweg. Ook ziekten (pest!) lagen op de loer, zie daarover bijvoorbeeld de sterfgevallen “peregere” (in den vreemde) in de parochieregisters van Overpelt. Zie hierover Overleden in den vreemde

De teuten hebben een belangrijke rol gespeeld in de welvaart van hun geboortestreek. Als vermogende burgers deden zij ook aan goede werken: zo hielpen zij Hamont-Achel mee aan een nieuwe windmolen, en financierden zij mee de kerk. Hier en daar vindt men nog voorbeelden van hun mooie burgerhuizen, zoals het Simonshuis in Hamont-Achel. Ook in openluchtmuseum van Bokrijk staat een teutenhuis; het werd overgeplaatst vanuit Eksel.
De teutenhandel stierf uit in het begin van de twintigste eeuw, onder meer door de afsluiting van de Belgisch-Nederlandse grens tijdens de eerste wereldoorlog en door de wijzigingen in de reglementeringen rond de buitenlandse handel. Het fel verbeterde vervoer (spoorwegen), waardoor goederen snel en goedkoop konden worden vervoerd, zal er ook wel iets mee te maken hebben.
(1) J. Mertens: “Kempens kramersvolk in Nederlandse en Rijnlandse gewesten tijdens de 17de eeuw”, p 10 e.v.
(2) J. Mertens: “Onder invloed van Jan Frans Willems en Pieter Ecrevisse: 19de-eeuwse mythevorming rond taal, herkomst, handel en wandel van de Kempense teuten” p. 148.
